Parrhêsia

 

Gezien communicatie het allerbelangrijkste is in het werkende leven en gesteld dat voor een optimale communicatie basiswaarden als waarheid en rechtvaardigheid essentieel zijn, is filosofie een belangrijk vak. Het is bovendien niet alleen de oorsprong van de wetenschap, die begon met filosofen die zichzelf en anderen vragen stelden, maar ook de manier voor de kennis om vooruit te komen; met vernieuwende ideeën die ontstaan na het diepere (zelf)onderzoek.

Een interessant onderdeel van de filosofie, het ‘vrijmoedig de waarheid spreken’ (Grieks: parrhêsia) is iets wat individuen vooruit kan helpen in van nature vaak neerdrukkende, achteruitwerkende instituties. Kritiek leveren in die instituties op misstanden die meerderheden vaak in stand willen houden is belangrijk voor zowel het individu dat die kritiek levert als die instituties en een goede kennis van en bedrevenheid in de filosofie, waaronder de parrhêsia, kan helpen om als individu op effectieve wijze bij te dragen aan de vooruitgang.

Onze suboptimale, want uitsluitend op meerderheden gebaseerde democratische systeem houdt echter niet zo van parrhêsia. Wat dat betreft zijn we niet zoveel opgeschoten sinds de oorsprong van onze democratie, het oude Griekse Athene, waar de meerderheid er ook al niet zo van hield. Want wat Socrates in ‘De Apologie‘ zei geldt in onze tijd nog steeds: ‘Neemt u het mij alstublieft niet kwalijk dat ik de waarheid zeg: want niemand zal het er levend afbrengen die zich eerlijk (gnêsiôs; ‘uit nobele motieven’) wil verzetten tegen een massa, zomin hier als elders, en die wil verhinderen dat er in de staat onrecht en onwettelijkheid wordt gepleegd.’1 Socrates verwijst in de Apologie daarmee naar het gevaar voor het individu wanneer hij de waarheid spreekt. Hij gaf zichzelf in datzelfde boek ook het volgende antwoord op de vraag waarom hij nooit politiek actief was geweest: ‘Had ik, lang geleden, gepoogd aan politiek te doen, dan was ik sinds lang een verloren man geweest’.

Maar parrhêsia is niet alleen van levensbelang voor onze gekozen democratische vertegenwoordigers. Ook een universiteit van enig niveau kan niet zonder haar bestaan. De Maagdenhuisbezetting van 2015 viel bijvoorbeeld misschien niet zonder reden samen met een reorganisatie bij de vakgroep algemene cultuurwetenschappen; inderdaad: de vakgroep waar de studie filosofie onderdeel van uitmaakt. Door het rendementsdenken had bij de heren bestuurders van de UvA namelijk het misverstand post gevat dat het aantal studenten een verband zou hebben met de kwaliteit van het onderwijs.

Tijdens die bezetting durfde welgeteld één docent aan de UvA echt op te staan; Rudolf Valkhoff, een docent die zich beriep op zijn academische vrijheid om de kwaliteit van het onderwijs in ‘culturele patronen in cultuurgeschiedenis’ te beschermen en te bevorderen – overigens slechts om vervolgens na een fopproces rücksichtslos geofferd te worden aan het systeem en haar angst voor de waarheid. Vlak voor zijn pensioengerechtigde leeftijd werd Valkhoff nog even ontslagen door de universiteit, onder het mom van dat hij niet mee zou hebben willen werken aan ‘hervormingen’ van het onderwijs.

Ongetwijfeld vonden de heren en dames in het systeem stiekem gewoon dat Valkhoff, net als Socrates, de jeugd bedierf, want hun onderbewuste dacht natuurlijk vooral aan de eigen machtspositie, die niet gebaat was bij de parrhêsia zoals Valkhoff die bedreef. Valkhoff kwam met zijn studenten in opstand tegen het ‘rendementsdenken op de universiteit, met alle perverse prikkels ervan’ en de er altijd mee gepaard gaande ‘angscultuur’. 

Ik heb in Nederland tot nu toe niemand publiekelijk voor Valkhoff zien opstaan. Maar ik ben dan ook, met uitzondering van Frontaalnaakt, al sinds lang gestopt de Nederlandse media actief te volgen. Voor de zekerheid, opdat het belang en de moed tot waarheid van Valkhoff niet vergeten wordt, betuig ik daarom vandaag alsnog mijn steun aan iemand die niet alleen de parrhêsia beoefende op Oud Griekse wijze en daarmee opkwam voor individuen in plaats van voor het neerdrukkende, achteruitwerkende systeem – en dus, zoals het hoort bij de ware parrhêsia, met gevaar voor eigen hachje, maar ook opkwam voor het belang van de kwaliteit van het onderwijssysteem zelf. 

Een systeem dat, hoe ouder het wordt, schijnbaar volgens een natuurwet, namelijk de wet van de meerderheid, steeds meer in handen lijkt te komen van egoïstische dictators, die tegenwoordig door hun monomane rendementsdenken, goed samen te vatten zijn met de overkoepelende term neoliberalen. En Maarten van Rossem had gelijk met zijn oproep dat we het neoliberalisme nu eindelijk maar eens ten grave moesten dragen.

Dat kan door filosofie, naar Frans voorbeeld, op te nemen als verplicht vak in iedere school-fase en bij ieder schooltype, maar ook door als individu filosofisch waarheids-onderzoek als levenswijze te adopteren, omdat iedereen een filosoof kan zijn. Ook en misschien wel vooral als je niet alleen informatie door en over andere filosofen aangereikt hebt gekregen, maar bovendien het goede voorbeeld van de parrhêsia live in actie hebt gezien, bij een goede collega-filosoof zoals Rudolf Valkhoff; onze eigen Socrates.

 

Plato, Apologie, 31d-e

Het ethisch onderscheid van de besten

 

Voor iedereen die onze democratie een warm hart toedraagt is het maken van een ethisch onderscheid, of zoals Aristoteles het al noemde: het probleem van de beste in de democratie1, belangrijk.

Of het nu Jakobijnen, nazi’s, fanatiek religieuzen, nationalisten, neoliberalen, alt right-types, neo-fascisten of oikofielen zijn, met al die verschillende clubjes probeert de conservatieve fanaticus een neerdrukkend systeem te misbruiken om macht te verkrijgen. Vaak met een combinatie van xenofobie, monomaan rendementsdenken en leugens als enige leidraad.

De conservatieve fanaticus wil houden wat hij heeft en is bang voor de enge, want sterkere, Ander. Deze twee hoofdlijnen in de psyche van de conservatieve fanaticus zijn stevig gefundeerd op het misverstand dat beschaving iets zou zijn dat stilstaat.

Dat misverstand heeft te maken met zijn slechte intenties. Die intenties zijn het overtuigen van een publiek zonder enige interesse in de relatie tussen zijn woorden en zijn waarheid. De conservatieve fanaticus in de politiek is een demagoog; hij spreekt niet transparant zijn eigen waarheid uit, maar zegt wat hij denkt dat zijn publiek wil horen, met als enige doel macht door zoveel mogelijk volgers.

Conservatieve fanatici die fanatiek conservatieve gedachten van hun achterban duidelijk weten te benoemen worden op handen gedragen – zolang hun retoriek niet tot minder volgers voor het xenofobe clubje van dienst leidt. Het hogere doel; het verkrijgen van macht om minderheden neer te drukken mag niet lijden onder de toch zo prettig xenofobe retoriek die het inferieure kuddedier op de golven van de haat doet denken dat hij beter is dan de Enge Ander.

Ook in onze versie van democratie geldt voor een groot deel van de volksvertegenwoordigers dat ze zich niets gelegen laten liggen aan de waarheid zodra er volgers en dus macht te verdienen zijn. Dat onze democratie suboptimaal is heeft precies daar mee te maken. De op macht gebaseerde ‘visie’ heeft geen interesse in waarheid en dus ook niet in het nemen van op inzicht gebaseerde besluiten voor de vooruitgang van individuen.

Het ‘draagvlak’ is heilig geworden in een democratie die draait op het idee dat het aantal mensen dat iets vind belangrijker is dan wat die mensen vinden. De kwaliteit is in onze democratie vaak ondergeschikt aan de kwantiteit en het populisme, met alle gevaarlijke gevolgen van dien.

Het zijn bijvoorbeeld eens in de zoveel tijd altijd politici die na de nodige demagogie met een meerderheid van partijen besluiten om oorlog te gaan voeren. De individuele burger wordt zo via de parlementaire democratie misbruikt om de xenofobe bloeddorst van regeringsleiders democratische legitimatie te geven.

In werkelijkheid is oorlog namelijk altijd een heel persoonlijk ego-project van de baas van een land. Niet burgers met een bepaalde nationaliteit voeren oorlog, maar een regeringsleider die persoonlijk belang heeft bij het onderdrukken van de Enge Ander; degene die bestaande machtsstructuren bedreigt. Dit is de kern van het probleem Staat: om de staat in stand te houden worden degenen waar staten voor bedoeld zouden moeten zijn in veel gevallen onderdrukt en in het geval van oorlog zelfs gedood.

Voordat een oorlog wordt gestart wordt op retorische wijze door politici snel ‘bewijs’ gevonden voor iets dat die oorlog ‘rechtvaardigt’, waarna het afslachten van onschuldige burgers kan beginnen. Uiteraard wel netjes conform de conventie van Genève.

Tijdens de oorlog laat men dan weten dat er allerlei positief nieuws te melden is over het bloedvergieten: ‘precisie’ bombardementen bijvoorbeeld waardoor ‘zoveel mogelijk’ burgerslachtoffers worden voorkomen. Terwijl diezelfde bombardementen desondanks altijd weer resulteren in vele dode burgers. Wat vooral preciezer lijkt te worden is de dodelijkheid van het wapentuig.

Maar er is ook goed nieuws. Het gaat in onze tijd haast ongemerkt steeds meer om wat je zegt dan om vanuit welke machtspositie je iets zegt. De belangrijke taak die de media nu vervolgens heeft is te zorgen dat ze het goede voorbeeld gaat geven aan onze democratie door een ethisch onderscheid te gaan maken in welke woorden wel en welke geen podium verdienen.

Op die manier kan de media partij-politici namelijk misschien doen inzien dat onze democratie door hen verbetert kan worden door kiezers in de toekomst te laten stemmen op onafhankelijke kandidaten; die door hun goede inzicht hebben aangetoond de besten te zijn – oftewel het meest geschikt te zijn als democratisch vertegenwoordiger.

Hiermee samenhangend zou het goed zijn als dat stemmen op democratische vertegenwoordigers laagdrempeliger gemaakt werd. Kiezers zouden bijvoorbeeld in de toekomst bij alle verkiezingen via een digid-achtig account online hun stem kunnen uitbrengen naar aanleiding van een transparante online presentatie door diegenen die hen democratisch willen vertegenwoordigen

Dat het hierbij de bestaande volksvertegenwoordigers zelf zijn die zullen moeten besluiten tot het verbeteren van die democratie door zichzelf aan een transparante, kwalitatieve selectie bloot te stellen, met de kans dat de besten hun plaats innemen, maakt de kans op een snelle verbetering van onze democratie er echter niet groter op.

 

1Aristoteles, Politica, Boek III, Hoofdstukken 10-13