Kuddemoraal

 

Xenofobie is een eigenschap gebaseerd op angst, die ontstaat door het generaliseren van individuele ervaringen en overtuigingen naar zaken als groepen van individuen, die op basis van gezamenlijke kenmerken zoals een gelijkend uiterlijk en een gedeelde cultuur, religie of afkomst worden onderscheiden. Het onderscheiden van verschillende kwaliteitsniveau’s in de overheersende culturen van gebieden is geen xenofobie, maar beschaving.

 

Nederland bestaat uit diverse landstreken, met allemaal zo hun eigen overheersende cultuur. Die culturen zijn opgebouwd uit de geografie van een streek, haar geschiedenis en haar toekomst, uit het beschavingsniveau van de individuen die er wonen en de structuren die hen omhullen.

Ik ben geboren in de Achterhoek, in Groenlo om precies te zijn. Toch zou ik mezelf niet zo gauw een Achterhoeker noemen. Maar waarom eigenlijk niet? Misschien komt het wel omdat ik inmiddels een groter deel van mijn leven niet meer in de Achterhoek woon. Of omdat ik de als typisch Achterhoeks bekend staande zaken zoals de Zwarte Cross of Normaal nu niet bepaald zie als het toonbeeld van goede smaak.

Maar ook het landschap werkt niet echt mee in de Achterhoek. Zelfs eiken zijn er wat deprimerende bomen. Het zijn er veel en ze zijn altijd zo netjes in rijen aangeplant. Vrijwel overal heb je verharde wegen maar er zijn op het platteland weinig fietspaden, en alle wegen lijken naar huizen te leiden waar je geen boeken aantreft, en dus geen ideeën voor de toekomst. Men leeft in het nu, haast onbewust van het feit dat men leeft.

Want leven we eigenlijk wel als we in het nu leven? Het verleden is immers voorbij en de toekomst is er nog niet. En die toekomst zal er, voor de huidige cultuur van de Achterhoek, misschien ook wel niet echt zijn. De wereld verandert, en vroeg of laat krijgt iedere uithoek van de wereld daar mee te maken. Panta Rhei, alles stroomt. En stenen die te los liggen worden onverbiddelijk meegevoerd met de stroom, door de kracht van het water; de bron van al het nieuwe leven.

De humor ligt in de Achterhoek op straat, maar er is weinig subtiels aan de humor, en ze is bijna altijd bedoeld om zichzelf te relativeren. De kracht van ironie wordt wel gebruikt, maar niet begrepen, waardoor ze niet goed wordt gebruikt. Diegenen die het wagen af te wijken van het ‘goede’ worden met een hoekig soort humor, maar omfloerst taalgebruik, te verstaan gegeven dat zij ‘niets bijzonders’ zijn. De Achterhoeker geeft daarmee vooral aan zichzelf ook niet zo bijzonder te vinden – en weinig hoop te hebben op verbetering van de eigen persoonlijke cultuur. En dat is best jammer.

Maar goede ideeën reizen nu eenmaal langzaam naar het oosten. Op basis van achterhaalde informatie wordt dan ook vaak verkeerd geoordeeld. Het meest tenenkrommende aan de Achterhoek is misschien nog wel dat er vervolgens altijd wel ergens een rudiment van beschaving, namelijk jaloezie, in het één of andere individu begint op te spelen; jaloezie die hem er vervolgens per abuis toe drijft om met terloopse opmerkingen te proberen de eigen schuldigheid aan de innig gekoesterde onwetendheid en kuddemoraal… bij de Enge Ander neer te leggen. Die ander moet namelijk vóór alles genormaliseerd worden om geen gevaar meer te vormen voor de kudde.

De ook bij talentvolle individuen, zij die vooruit zouden kunnen streven, veelal aanwezige berusting in de middelmatigheid van de overheersende cultuur is een gevolg van de neerdrukkende negativiteit van die kuddemoraal, die iedereen die verzuimt boven de kudde uit te springen na verloop van tijd met zich meesleurt.

Om xenofobe trekjes wordt in de Achterhoek altijd een beetje besmuikt gelachen. Maar er wordt nooit openlijk op dergelijk slecht gedrag gereageerd; iedereen is namelijk heel erg gelijk in de Achterhoek. Een xenofoob, die de kudde altijd omarmt als zijn natuurlijke habitat, hoort helemaal bij de kudde. Dat in tegenstelling tot de intellectueel, die in een kudde vooral niet mag ontstaan – en als hij toch aanstalten maakt op te staan, neergedrukt wordt. Hoe duidelijker de kudde een gebied bewoont met vaststaande grenzen, een wat statische overheersende cultuur en de hiervoor benodigde neerdrukkende structuren, hoe sneller kritiek als bedreigend wordt gezien.

Vandaar misschien dat de Achterhoek zo weinig intellectuelen voortbracht (er was eigenlijk alleen Menno Ter Braak, die zich overigens vooral verveelde in het Achterhoekse Eibergen, de volgens hem ‘achterste Achterhoek’). Het vermogen tot neerdrukken wordt groter naarmate er minder diversiteit in een cultuur zit.

Maar uiteindelijk gaat de monocultuur ook altijd zichzelf neerdrukken. Een gebrek aan diversiteit en lerend vermogen is dè garantie voor de ondergang van iedere diersoort; dus ook voor de Homo Sapiens Sapiens. En niet alleen de groepsdruk drukt dan de individuen in de groep neer, individuen – en vooral de xenofoben onder hen – gaan op den duur ook altijd zichzelf neerdrukken – onder meer door hun gevoel uit te schakelen. Waarschijnlijk is dat de reden dat ik de Achterhoek al jaren geleden onder me heb gelaten.

Maar het is maar zeer de vraag of dat voldoende zal zijn om de kudde te ontlopen. Want ‘de’ Achterhoeker bestaat niet, maar de Achterhoek wel, en de haar zo kenmerkende kuddemoraal is overal.

De landbouw van de toekomst

Ik heb sinds lange tijd weer eens een aandeel gekocht. Deze keer een zogenaamd ‘oogst-aandeel’; vanaf nu komt mijn groente en fruit alleen nog maar van de biologische boerderij om de hoek (land en boschzigt, de oudste biologisch dynamische tuinderij van Nederland).

Zelf te oogsten, dus vanmorgen ben ik er maar eens naartoe gefietst, met een kind voor- en een kind achterop. Met mijn fiets en mijn handen heb ik vanmorgen de tussenhandel even helemaal uitgeschakeld, net als de oliehandel, want er hoefde geen machine over het land om mijn groentes te oogsten – dat deed ik zelf, met de hulp van twee kinderen.

Heerlijk vers voedsel, ieder seizoen, iedere maand, iedere week iets anders, aangepast aan de natuur – en dus aan de behoeftes van de mens. Dat betekent in mei onder meer raapstelen; boordevol ijzer, vitamine C en foliumzuur. Maar ook rabarber, waarvan de steel pariëtine bevat, een stof die tumorgroei remt. En de paksoi die ik voor het eerst zelf oogstte heeft, net als alle koolsoorten, ook een kanker-remmende werking; dankzij de glucosinolaten in de plant.

Maar dat is nog niet alles. Met deze aankoop van vers, biologisch voedsel van de tuinderij om de hoek geef ik boer Sijmen de kans zich toe te leggen op iets waar hij goed in is, en waar hij energie van krijgt, en wat steeds meer in de verdrukking raakt in de traditionele landbouw: kwalitatief goed voedsel.

De gangbare landbouw, vaak verenigd in coöperaties als de LTO, die niet alleen gezamenlijk voor de belangen van de groep opkomen maar ook gezamenlijk in- en verkopen, of bij die in- en verkoop een grote vinger in de pap hebben door hun advies, hun kennis en hun netwerk. Een netwerk dat bestaat uit het bedrijfsleven (Bayer, Monsanto, de medicijnenindustrie, maar ook de olie-industrie), de overheid en universiteiten zoals de Wageningen Universiteit, die – met de Mantra dat Nederland de wereld zou moeten voeden – een nogal dubieuze rol speelt.

Door ons poldermodel zijn wij in een paar dingen heel goed geworden; we zijn ons gaan specialiseren. Onder andere in framing, toonhoogte en ons neerleggen bij suboptimale oplossingen. Dit alles hebben wij geleerd om onze eigen suboptimale ideeën zo goed mogelijk te kunnen verkopen, in Nederland handelsland. Idealiter met een volledig wetenschappelijk verantwoord onderzoek – vol verwijzingen naar de ‘juiste’ wetenschappers dus – maken we vervolgens goedgemutst en masse…de verkeerde keuzes. Door het frame dat wij de wereld zouden moeten voeden legt een heel land zich neer bij een vorm van landbouw die alle leven wil vernietigen. En ondertussen klinkt er geen onvertogen woord. Tot vandaag.

Dat we in Nederland dankzij het poldermodel hebben gekozen voor roofbouw in plaats van landbouw is eigenlijk nog best knap. Meestal maken we helemaal geen keuze, uit angst het zo geliefde poldermodel, de heilige verbinding met de Ander, te verliezen.

Een mooi voorbeeld van zo’n vanwege gevoeligheden nog steeds niet gemaakte keuze, is de keuze voor biologische landbouw, net als het vrijwel volledig ontbreken van focus van de overheid op zogenaamde nutricijnen, en de bijbehorende preventie in de zorg. Nutricijnen zijn namelijk geneesmiddelen die gratis zijn, er valt geen geld aan te verdienen door het systeem, omdat ze in goed en zorgvuldig uitgebalanceerd voedsel zitten.

Maar dat past niet in het frame, in de verbinding, wat zeg ik, in de verstrengeling van overheid, agribusiness en medicijnenlobby. Wat daarbij het bestaande achterhaalde systeem enorm helpt is het grote aantal mensen dat eten nog slechts ziet als genotmiddel om energie door te verkrijgen – in plaats van als gezonde bron van leven. En het is voor het systeem van het grootste belang om een zo groot mogelijk aantal mensen in deze staat van willoos slachtoffer te houden. Vandaar dat ook dit systeem vooral bezig is zichzelf te consolideren, door individuen te indoctrineren en neer te drukken.

De reden waarom de LTO, de overheid, de agrarische industrie, de chemische industrie en zelfs de zorg nooit voor biologische landbouw zal pleiten is heel eenvoudig: al die miljarden kilo’s roundup ready soja die door hun toedoen of met hun medeweten zijn geïmporteerd als voer voor onze veel te grote veestapel, al dat gif zoals bijvoorbeeld glyfosaat dat is gebruikt op onze gewassen, met alle – inmiddels algemeen aanvaarde – gezondheidsschade van dien, hier en in de landen van herkomst, het zal nooit uit te leggen zijn.

Het is een totaal gestoord systeem – dat naast grote indirecte gezondheidsschade, veroorzaakt door het vergiftigen van water, lucht, aarde, ons voedsel en het vernietigen van ecosystemen, ook zorgt voor werkgelegenheid voor tienduizenden mensen – en enorme winsten voor de agribusiness, de chemische- en olie-industrie.

In plaats van de patiënt te genezen door te stoppen met het toedienen van gif, worden er dan ook telkens nieuwe soorten gif op haar toegepast. Als het ene gif toch teveel gezondheidsschade tot gevolg had, wordt er weer een nieuw gif ontwikkeld. En die patiënt is niet alleen de echte patiënt in ons achterhaalde neoliberale zorgsysteem, maar ook de landbouw, in hetzelfde achterhaalde systeem, dat we dan ‘agribusiness’ noemen.

De schoorsteen moet ongestoord roken, dus verandering is veel te gevaarlijk. Terwijl er natuurlijk minstens zoveel mensen in de landbouw inclusief de toeleverende en verwerkende industrie zouden kunnen werken wanneer de focus op kwaliteit, op gifvrij, op biologisch zou zijn, houdt de status quo ons met behulp van het poldermodel zeer effectief tegen.

Het systeem van wereldhandel en marktdenken dat ervoor zorgde dat Nederlandse boeren, opgejaagd door technische ‘innovaties’ die niet duurzaam waren omdat ze alleen kwantiteit en winst voor de intermediairs ipv winst voor boeren en consumenten najoegen, hun voer anno 2017 nog steeds vaak zo goedkoop mogelijk inkopen in Brazilië om vervolgens het vlees met zoveel mogelijk winst te kunnen verkopen in China, is een vorm van roofkapitalisme die zijn weerga niet kent in de geschiedenis.

De agribusiness is samen met de voedselverwerkende industrie en passant verantwoordelijk voor het verdwijnen van unieke natuur (tropisch regenwoud en savannes in Zuid Amerika en Azië) en voor landbouw en veeteelt die niet nodig zouden zijn geweest als we anders hadden durven denken. Over minder en biologisch vlees bijvoorbeeld.

En wat was ondertussen het enige dat een kennisinstituut als Wageningen Universiteit eind jaren ’90, begin 2000 kon bedenken over biologisch voedsel? Dat het hetzelfde zou zijn als geloven in kaboutertjes; om zo snel mogelijk de toen nog prille vakgroep biologische landbouw, nota bene onder het mom van de ratio, de nek om te kunnen draaien.

Wageningen Universiteit is net zo gecompromitteerd als de rest van de agribusiness en zal zichzelf vrijwillig in het gezicht slaan als ze opeens openlijk gaat pleiten voor biologische landbouw – terwijl ze jarenlang de boeren heeft wijs gemaakt dat alleen innovaties ten behoeve van nog meer kwantiteit de moeite waard waren.

De Wageningse mantra dat we in Nederland de wereld zouden moeten voeden lijkt oppervlakkig gezien misschien een duurzame of sociale boodschap: het is niets minder dan het herhalen van de mantra-van-de-markt, enkel bedoeld om gevestigde belangen veilig te stellen.

Een mantra waardoor met het loslaten van de melkquota door Rutte 2 niet alleen de mest-belasting van het Nederlandse grond-en oppervlaktewater tot grote hoogtes is gestegen, waarvoor Nederland dan doodleuk in Brussel weer vrijstelling krijgt, maar waardoor de melkprijs ook dramatisch gedaald is.

Tot een niveau waardoor in Frankrijk kleinere melkveehouders ondanks dag in dag uit keihard ploeteren voor hun gezin, nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden. Met als triest resultaat iedere twee dagen een suïcide onder kleinere Franse melkveehouders voor wie de prijs van melk te laag en de hypotheek te hoog wordt.

Hieruit blijkt maar weer eens dat de zo noodzakelijke Europese droom een droom van kannibalisme wordt als we er niet in slagen sociale en economische harmonisaties door te voeren, met een duidelijke focus op kwaliteit in plaats van geld.

Aan het ultra liberale, niet biologische systeem zal de overheid zelf, laat staan de internationale agribusiness, echter nooit een eind maken, het is een zichzelf eeuwig door schulden in geld en geweten verder omlaagdraaiende, diabolische tombola van winst, ego en afbraak.

De enigen die hier wel iets tegen kunnen doen zijn wijzelf. Lokaal geproduceerd biologisch voedsel door een nieuwe samenwerking tussen consumenten en landbouwers, een samenwerking die de tussenhandel zoveel mogelijk uitsluit.

Voor onze gezondheid en de natuur moeten we weer onze eigen boontjes doppen – we moeten het helemaal zelf rooien: door de landbouwer in staat te stellen weer kwaliteit te leveren.

Geef mij dan maar mijn eigen oplossing; een dag in de week een gezellig dagje uit in de natuur, om mijn kinderen te leren hoe en in welke jaargetijden onze groentes en fruit groeien, samen nadenken over de vraag welke invloed de maan heeft op gewassen, hoe de plant eruit ziet waar we spinazie van maken, of hoe we rabarber oogsten.

Maar ook welke bloemen er eigenlijk groeien op een gezonde grond, welke prachtige insecten er eigenlijk op onze groentes en fruit horen te leven (wel even goed wassen na het oogsten), kortom: welke wonderen de kosmos en de aarde met het leven daarop ons schenkt.

Maar niet onbelangrijk, mijn kinderen leren ook meteen dat door te durven kiezen voor een dergelijke microstructuur van de tuinderij om de hoek het grotere systeem vrij eenvoudig te verslaan is. Door dieper na te denken over je keuzes, en zorgvuldiger te kiezen voor meer kwaliteit van leven; voor de boer, voor jou en je naasten en, in het geval van gifvrij voedsel, voor de aarde.

Deze vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid, door niet de gemakkelijkste weg te kiezen met het kopen van producten die van over de hele wereld worden aangevoerd, of met chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest worden grootgebracht op mega-akkers, de zogenaamde akkerwoestijnen met monoculturen, is een pact dat je sluit met de landbouwer in de directe omgeving van je huis, liefst op fietsafstand.

Niet alleen om kwalitatief en betaalbaar voedsel te krijgen, maar ook om de wereld voor jezelf en de landbouwer een beetje mooier, gezonder, uitdagender en draaglijker te maken. Waardoor we bovendien onze kinderen beter kunnen opvoeden in onze eigen persoonlijke filosofie van de natuur.

En al die mensen die wijzen op het feit dat de hoeveelheid gifresten op ons voedsel verwaarloosbaar klein is beseffen niet dat degenen die de grootste gevaren lopen door al dat gif… naast de aarde en alles wat daarop leeft, vooral de boeren zelf zijn.

Maar los daarvan: een hoeveelheid gif op je voedsel die ‘binnen de norm’ is volgens de Voedsel en Waren Autoriteit, waarom accepteren we dat eigenlijk? Welke norm voor gifresten vinden wij dan acceptabel als we onszelf en onze kinderen eten geven? Willen we echt, ook maar de geringste hoeveelheid, gif binnenkrijgen? En vinden we het geen probleem als degenen die dag in dag uit voor ons voedsel moeten ploeteren, genetische afwijkingen en tumoren krijgen door het onnodige gebruik van enorme hoeveelheden gifstoffen als glyfosaat?

Want de bewijzen voor de effecten op de gezondheid van een product als glyfosaat zijn groot en overvloedig. De enorme winsten die met de agribusiness worden gemaakt, de tienduizenden arbeidsplaatsen die er in de agribusiness inclusief de ermee samenhangende chemische industrie mee gemoeid zijn, de overheid, de belangenclubs; de koepels van coöperaties, alles werkt mee om deze ongemakkelijke waarheid te bagataliseren – of zelfs glashard te ontkennen – en de bewijzen te verdoezelen.

Maar ook zonder bewijs zouden wij al voldoende moeten weten: wij die niet van plan zijn de aarde of onszelf te vernietigen: wanneer je voedsel eet dat met gif is grootgebracht, gif dat gemaakt is om leven te doden, dan doodt je jezelf, vrijwillig. We hebben de burgeroorlogen in Europa nagenoeg uitgebannen; de volgende stap zal zijn het uitbannen van de langzame maar nog veel te snelle dood door het eten van te veel, te vet, en met gif geproduceerd voedsel.

Je eigen tuintje op fietsbare afstand om de hoek is de enige manier voor landbouwers en consumenten om uit het systeem van steeds meer voor steeds minder te ontsnappen: door burgers die hun met liefde in plaats van met gif geproduceerde groente en fruit kopen. Het is niet alleen de echte oplossing voor het wereldvoedselprobleem, maar ook voor het probleem van een neoliberaal systeem dat ons, in weerwil van allerhande wetenschappelijke bewijs, ter ere van de winst uit alle macht wil doen geloven dat het gebruik van gif op voedsel ok is.

Als de gifsoort maar onderzocht is door de Wageningen Universiteit en toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb) – dat een onderdeel is van diezelfde Wageningen Universiteit.

Tja. Hoe dom denkt het systeem eigenlijk dat wij zijn?

Nog een paar dagen en ik oogst weer mijn eigen groente en fruit, voor een nieuwe week, vol kwaliteit – en lekker eten.

 

Inspiratie voor de Avant-garde

Bladerend door een bestuursblaadje wemelt het van de foto’s van veel te grote groepen mensen die luisteren naar een oninteressante spreker. Vaak zijn het sprekers die iets vertellen over een betere administratie van onbelangrijke zaken, betere sturingsmodellen en KPI’s voor dingen die een organisatie niet vooruit helpen of een betere data-analyse om appels met peren te kunnen vergelijken. Suboptimale afspraken in de suboptimale systemen die veel grote organisaties zijn zorgen eerder voor werkverschaffing van de meerderheid dan voor inspiratie van de minderheid, de Avant-garde; koplopers die de organisatie vooruit kunnen helpen dankzij hun visie, inzicht en lef.

Dè uitdaging voor de meeste grote organisaties van vandaag is dan ook het zorgen voor inspirerende verhalen voor die Avant-garde. De neiging om een verhaal te vertellen wat de meerderheid van de werknemers inspireert (dat wil zeggen aanspreekt op de eigen verworvenheden of vaak egoïstische wensen) is echter een hardnekkige natuurlijke neiging. Terwijl die meerderheid van de mensen minder goed dan de Avant-garde in staat is zichzelf of de organisatie vooruit te helpen; omdat men wat meer moeite heeft zich open te stellen voor de zo noodzakelijke ontwikkeling, van zichzelf.

Dat is de reden dat er vooral saaie verhalen vertelt worden. En dankzij het internet en het samenvoegen van organisaties tot steeds grotere eenheden, worden die saaie verhalen aan steeds grotere groepen verteld. En foto’s ervan worden vaak ook nog eens buitengewoon trots rond getweet, zeker als de bijeenkomst in het teken stond van een van de hedendaagse zogenaamd heel goede ‘want disruptieve’ maar teveel mainstream onderwerpen. Kijk eens ik was erbij en behoor dus tot de koplopers. Welnee, om daarbij te horen moet je buitengewoon selectief zijn in het bijwonen van populaire bijeenkomsten over actuele thema’s. Als je ze überhaupt al moet bijwonen. Niets zo veranderlijk immers als actuele thema’s, en een echt lid van de Avant-garde heeft een stabiele, originele en eigen lijn nodig om de vooruitstrevende weg naar de toekomst af te kunnen leggen.

De meerderheid bezweert echter met het vertrouwde saaie verhaal, dat die meerderheid de heel prettige illusie geeft dat men goed bezig is, de voor de conservatieve medemens natuurlijke angst voor vernieuwing. Zo consolideert men het eigen werk, de eigen status, ‘dat wat men altijd al zo gedaan heeft’ oftewel bestaande zaken. Maar begrijp me niet verkeerd; daar is niets mis mee – het is een volstrekt begrijpelijk, want natuurlijk proces. Maar voor vernieuwing; vooruitgang naar een hoger plan van de plaatselijke cultuur of beschaving, is het funest als de middelmaat de toon aan gaat geven, het ritme bepaald en de melodie mag uitkiezen. Iets wat in vrijwel alle op suboptimale democratische gedachten gebaseerde organisaties van individuen gebeurt. In al deze organisaties is het dan ook tijd om te gaan erkennen dat voor iedere verzameling van individuen geldt dat die alleen duurzaam is als de natuurlijke leiders (degenen dus met invloed in plaats van de door kunstmatige systemen en afspraken gerealiseerde macht) die groep op inspirerende – en dus vernieuwende – wijze vertellen waar het heen moet met de wereld in het groot en de organisatie van individuen in het klein, waarom het daarheen moet en hoe alle individuen in de groep dat nieuwe doel gaan bereiken. Dat zal een klein groepje mensen inspireren en de rest opwekken: tot anders denken.

Anders denken; het sleutelwoord voor succesvolle ideeën, individuen en organisaties. Door anders dan voorheen te denken, anders dan veilig, zonder al teveel risico voor je was, en binnen die andere denkwijze vooral te zoeken naar de verbeterpunten voor jezelf, in plaats van voor anderen of de organisatie, ook als je van nature helemaal niet zo van verbetering houdt, creëer je de zo noodzakelijke energie voor jezelf, voor wat je doet en, vooral, voor het waarom van wat je doet.

Zingeving, zelfreflectie en zelf vervulling, drie eerste zetjes die we nodig hebben om vooruit te gaan. Want blijf je, om de meerderheid tevreden te stellen, met saaie, vaak nageaapte verhalen open deuren open doen dan help je ook iemand die van nature minder voorop loopt naar nieuwe doelen natuurlijk niet echt. Je zorgt slechts voor tijdelijk comfort die de voor betreffend individu noodzakelijke verandering weliswaar uitstelt, maar des te schokkender, verwoestender en moeilijker te verwerken maakt wanneer die zich, onvermijdelijk, uiteindelijk wel aandient.

Nee, de fanatiek conservatieve individuen moeten als geen andere mensen geprikkeld worden om hun wordende talenten aan te spreken, in een noodzakelijke nieuwe toekomst, om überhaupt te kunnen overleven, in die toekomst. Iemand die niet vooruit wil zal dat dus uiteindelijk toch wel moeten om mee te kunnen gaan in de evolutie die ieder individu en iedere organisatie continu doormaakt om up to date te blijven; om de juiste energie richting zichzelf te kanaliseren doordat de evolutie het beschavingsniveau van de kudde op een hoger plan heeft gebracht dankzij haar wapen logische verbetering in haar tendens naar het objectieve optimum van een bepaalde plek en een bepaald moment in de tijd.

Iemand die niet vooruit schijnt te willen kent zichzelf dan ook eigenlijk gewoon niet zo goed. Zo iemand denkt in feite alleen maar niet vooruit te willen. Andere dingen dan de ratio spelen op bepaalde terreinen gewoon een grotere rol in zijn denken. Omdat de persoon die met het verfrissende idee kwam, het logische verbeterpunt, hem niet aanstaat, omdat hij zelf dat idee had willen bedenken, of – voor de slimmeriken onder de conservatieven – omdat hij de relativiteit van logische verbeterpunten te goed inziet. Maar niet te onderschatten vaak speelt de begrijpelijke loyaliteit jegens het kunstmatige systeem van de organisatie een grote rol in het afwijzen van de logische verbeterpunten die door de Avant-garde worden aangedragen. Wie is zij om te bepalen dat we die kant op moeten?

Vooruitgang is juist daarom vooral een durven kiezen voor op inzicht gebaseerde invloed in plaats van voor op macht gebaseerde ‘visie’.

Maar laten we nooit vergeten dat als dit soort irrationele, gevoelsmatige overwegingen geen rol zouden spelen bij een groot deel van de wat meer volgzame individuen in organisaties, wij theoretisch gezien binnen de kortste keren een slechts nog rationeel ambtenaren apparaat kunnen hebben dat de treinen spreekwoordelijk weer laat rijden. De politieke constellatie hoeft maar om te buigen naar een partij als de PVV die de nieuwe zondebok, de moslim, op de voor de xenofobe conservatieve fanaticus gebruikelijke en eeuwenoude manier, in de juiste hoek weet te manoeuvreren. Geholpen door armoede als gevolg van een stilstaande status quo met haar onbereikbare bastions van het ‘goede’ leven en, soms ook, (staats)geweld staan de neuzen dan heel snel weer dezelfde maar verkeerde kant op.

Doorgeslagen rationeel denken is de voorbode van het nihilisme. De mens heeft, de juiste, inspiratie nodig.

Gelukkig wordt het mijns inziens niet spannender dan de constatering dat een (fanatiek) conservatief individu in de veiligheid van het midden van de kudde graag op een hem of haar bekende manier mee hobbelt naar de nieuwe noodzakelijke situatie. De nieuwe status quo dus. Die aangegeven wordt door de Avant-garde onder de Homo Sapiens; de Homo Universalis. (Voor de volledigheid: een echte Avant-garde zorgt uiteraard wel dat die status quo en het bijbehorende bastion van Avant Gardisten direct wijzigt, vernieuwt, als aantoonbaar betere individuen zich aandienen.)

Maar een status quo is natuurlijk vaak hardnekkig. Vooral de grotere organisaties, door hun omvang zo nauw gelinkt aan de politiek van het eigen ego, de eigen machtspositie en de status quo, hebben de democratische neiging het de stilstaande werknemer (te) gerieflijk te maken. De kudde hoeft immers niet zo nodig verder te zoeken naar grazige weilanden; het toppunt van de macht, onderdeel worden van de status quo, is immers al bereikt. Een vast contract, eventueel de bijbehorende gouden kettingen zijn de beloning voor zijn buigen voor de macht, voor de kunstmatige en dus suboptimale systemen, begrippen en aannames. De ‘staat van dienst’ of de geschikte wijze waarop betreffende persoon ‘zo sociaal’ opereert in het betreffende netwerk zijn de foutieve redenen om die persoon niet aan te spreken op zijn stilstand. Panta Rhei, alles stroomt. Of zou dat althans moeten doen. Want iemand moet weliswaar zichzelf kunnen blijven, of worden, mensen die weigeren vooruit te gaan, anderen tegenwerken die vooruit willen gaan of in het algemeen vaak onverbloemde haat koesteren tegen de logische verbeterpunten die niet op draagvlak van een bekende meerderheid kunnen rekenen, zijn de politieke dieren bij uitstek, de mensen dus die anderen lastigvallen omwille van de eigen machtswellust, oftewel anderen pesten. Iets dat niet alleen volgens de Arbowet verboden is, het is ook onnatuurlijk gedrag dat ontstaat uit angst voor het onbekende, vernieuwende en uit de drang de status quo ook te behouden als die niet bijdraagt aan vooruitgang van het individu. Zij zullen zichzelf dus moeten aanpassen. En hun kracht, het conservatisme, al dan niet van een meer of minder sociale variant, moeten inzetten op de momenten en plaatsen waar een organisatie daar, nu of in de toekomst, wel behoefte aan heeft. Mensen hiertoe inspireren, dat is een uitdaging die hoognodig opgepakt moet worden door de leidende figuren binnen grote organisaties en de samenleving als geheel. En dat kan alleen met een inspirerend verhaal voor de Avant-garde.