Kuddemoraal

 

Xenofobie is een eigenschap gebaseerd op angst, die ontstaat door het generaliseren van individuele ervaringen en overtuigingen naar zaken als groepen van individuen, die op basis van gezamenlijke kenmerken zoals een gelijkend uiterlijk en een gedeelde cultuur, religie of afkomst worden onderscheiden. Het onderscheiden van verschillende kwaliteitsniveau’s in de overheersende culturen van gebieden is geen xenofobie, maar beschaving.

 

Nederland bestaat uit diverse landstreken, met allemaal zo hun eigen overheersende cultuur. Die culturen zijn opgebouwd uit de geografie van een streek, haar geschiedenis en haar toekomst, uit het beschavingsniveau van de individuen die er wonen en de structuren die hen omhullen.

Ik ben geboren in de Achterhoek, in Groenlo om precies te zijn. Toch zou ik mezelf niet zo gauw een Achterhoeker noemen. Maar waarom eigenlijk niet? Misschien komt het wel omdat ik inmiddels een groter deel van mijn leven niet meer in de Achterhoek woon. Of omdat ik de als typisch Achterhoeks bekend staande zaken zoals de Zwarte Cross of Normaal nu niet bepaald zie als het toonbeeld van goede smaak.

Maar ook het landschap werkt niet echt mee in de Achterhoek. Zelfs eiken zijn er wat deprimerende bomen. Het zijn er veel en ze zijn altijd zo netjes in rijen aangeplant. Vrijwel overal heb je verharde wegen maar er zijn op het platteland weinig fietspaden, en alle wegen lijken naar huizen te leiden waar je geen boeken aantreft, en dus geen ideeën voor de toekomst. Men leeft in het nu, haast onbewust van het feit dat men leeft.

Want leven we eigenlijk wel als we in het nu leven? Het verleden is immers voorbij en de toekomst is er nog niet. En die toekomst zal er, voor de huidige cultuur van de Achterhoek, misschien ook wel niet echt zijn. De wereld verandert, en vroeg of laat krijgt iedere uithoek van de wereld daar mee te maken. Panta Rhei, alles stroomt. En stenen die te los liggen worden onverbiddelijk meegevoerd met de stroom, door de kracht van het water; de bron van al het nieuwe leven.

De humor ligt in de Achterhoek op straat, maar er is weinig subtiels aan de humor, en ze is bijna altijd bedoeld om zichzelf te relativeren. De kracht van ironie wordt wel gebruikt, maar niet begrepen, waardoor ze niet goed wordt gebruikt. Diegenen die het wagen af te wijken van het ‘goede’ worden met een hoekig soort humor, maar omfloerst taalgebruik, te verstaan gegeven dat zij ‘niets bijzonders’ zijn. De Achterhoeker geeft daarmee vooral aan zichzelf ook niet zo bijzonder te vinden – en weinig hoop te hebben op verbetering van de eigen persoonlijke cultuur. En dat is best jammer.

Maar goede ideeën reizen nu eenmaal langzaam naar het oosten. Op basis van achterhaalde informatie wordt dan ook vaak verkeerd geoordeeld. Het meest tenenkrommende aan de Achterhoek is misschien nog wel dat er vervolgens altijd wel ergens een rudiment van beschaving, namelijk jaloezie, in het één of andere individu begint op te spelen; jaloezie die hem er vervolgens per abuis toe drijft om met terloopse opmerkingen te proberen de eigen schuldigheid aan de innig gekoesterde onwetendheid en kuddemoraal… bij de Enge Ander neer te leggen. Die ander moet namelijk vóór alles genormaliseerd worden om geen gevaar meer te vormen voor de kudde.

De ook bij talentvolle individuen, zij die vooruit zouden kunnen streven, veelal aanwezige berusting in de middelmatigheid van de overheersende cultuur is een gevolg van de neerdrukkende negativiteit van die kuddemoraal, die iedereen die verzuimt boven de kudde uit te springen na verloop van tijd met zich meesleurt.

Om xenofobe trekjes wordt in de Achterhoek altijd een beetje besmuikt gelachen. Maar er wordt nooit openlijk op dergelijk slecht gedrag gereageerd; iedereen is namelijk heel erg gelijk in de Achterhoek. Een xenofoob, die de kudde altijd omarmt als zijn natuurlijke habitat, hoort helemaal bij de kudde. Dat in tegenstelling tot de intellectueel, die in een kudde vooral niet mag ontstaan – en als hij toch aanstalten maakt op te staan, neergedrukt wordt. Hoe duidelijker de kudde een gebied bewoont met vaststaande grenzen, een wat statische overheersende cultuur en de hiervoor benodigde neerdrukkende structuren, hoe sneller kritiek als bedreigend wordt gezien.

Vandaar misschien dat de Achterhoek zo weinig intellectuelen voortbracht (er was eigenlijk alleen Menno Ter Braak, die zich overigens vooral verveelde in het Achterhoekse Eibergen, de volgens hem ‘achterste Achterhoek’). Het vermogen tot neerdrukken wordt groter naarmate er minder diversiteit in een cultuur zit.

Maar uiteindelijk gaat de monocultuur ook altijd zichzelf neerdrukken. Een gebrek aan diversiteit en lerend vermogen is dè garantie voor de ondergang van iedere diersoort; dus ook voor de Homo Sapiens Sapiens. En niet alleen de groepsdruk drukt dan de individuen in de groep neer, individuen – en vooral de xenofoben onder hen – gaan op den duur ook altijd zichzelf neerdrukken – onder meer door hun gevoel uit te schakelen. Waarschijnlijk is dat de reden dat ik de Achterhoek al jaren geleden onder me heb gelaten.

Maar het is maar zeer de vraag of dat voldoende zal zijn om de kudde te ontlopen. Want ‘de’ Achterhoeker bestaat niet, maar de Achterhoek wel, en de haar zo kenmerkende kuddemoraal is overal.