Schoolplein-cultuur

Iets op papier zetten waarbij je je niet laat beïnvloeden door dingen die je hebt gehoord of gelezen kan bijna niet. Unieke en oorspronkelijke ideeën die op papier belanden zijn dan ook vrij zeldzaam. Daarbij is de taal ook nog eens een weinig accurate vertaling van gedachten. Vergeleken met Romaanse talen is onze taal bovendien niet erg rijk. In het Frans zijn er bijvoorbeeld meer woorden waar een hele wereld achter schuilgaat – woorden waarbij meerdere interpretaties mogelijk zijn.

Het Nederlands is duidelijk een wat slappe afgeleide van een in oorsprong rijke taal, het Duits. Onze taal is vooral concreet en to the point. Weinig ruimte voor fantasie, hoop of romantiek. De reden dat we onze cultuur zonder al teveel overdrijving een koude of – milder gezegd – minder romantische kunnen noemen ligt deels verscholen in onze taal, en het feit dat we ons te weinig verdiepen in haar oorsprong: de Frans-Duitse cultuur.

Zo hebben we, om er eens een belangrijk onderwerp bij te halen, helemaal geen eigen woord voor het Franse woord ‘Laïcité‘. Het wordt in het Nederlands ongeveer vertaald als ‘scheiding tussen kerk en staat’. Dat we er geen eigen woord voor hebben zegt iets over de oorzaak voor het feit dat een gezonde discussie over de Laïcité in Nederland niet bestaat.

Maar in Nederland is de eeuwenoude band tussen de Oranjes en (orthodox) gelovige christenen, die de staat als instrument van God zien, natuurlijk ook een belangrijke reden dat de Laïcité geen onderwerp van debat kan zijn. De Laïcité is voor onze monarchie, met haar openlijk Christelijke staatshoofden, te problematisch. Zo problematisch dat we er eigenlijk geen woorden voor hebben. Terwijl een debat over de Laïcité voor echt vooruitstrevende landen natuurlijk nogal noodzakelijk is.

Maar we hebben voor meer belangrijke dingen geen woorden – en wat belangrijker is ook geen gesprekken of geschriften – en dus geen debat. We praten elkaar over het algemeen liever na (wel zo veilig) en lezen daarbij teveel media-uitingen die weinig oorspronkelijk of uniek zijn, laat staan kritisch of getuigend van een helder, op objectieve feiten gebaseerd inzicht in waar het naartoe moet.

Luisterend naar een radiozender uit het land waar de term Laïcité nog echt bediscussieerd wordt, Frankrijk, besef ik me ineens een ander aspect van onze cultuur. Haar oppervlakkigheid. Het is dankzij het type taal en cultuur de inhoudsloosheid die je, vaak heel opdringerig en onbeschaafd, tegemoet grijnst. Om mijn mening te verifiëren switch ik even, kort, naar radio 1 – en weer terug. Mijn vermoeden wordt direct bevestigd: elke mogelijke inhoudelijke verdieping moet wijken voor het ‘nieuws’; de waan van de dag.

Ik volg de Nederlandse media dan ook nauwelijks meer. Het overgrote merendeel van de media zuigt als een bezetene de energie uit je lichaam. Uit angst voor warmte en waarheid. Uitzonderingen: de on-Nederlandse, lichtvoetige humor van iemand als taalvirtuoos Jeroen van Inkel (een wijze van communiceren die ik bijna kunst zou noemen, nota bene van een discjockey) en een handvol kwalitatief goede schrijvers en journalisten, zoals bijvoorbeeld de zichzelf rijkelijk met feiten onderbouwende en lekker schrijvende journalist Peter Breedveld. Iemand die nog stelling durft te nemen bovendien, tegen xenofobie in dit geval.

Maar de algemene tendens in het Nederlandse medialandschap is vooral een steun in de rug voor de heersende stelling onder de ‘elite’: iedere mening is evenveel waard en het poldermodel en bijbehorende conservatieve machten bepalen welke (vaak suboptimale) meningen ons weer een muizenstapje vooruit mogen helpen. Echte keuzes voor vooruitgang worden (volledig ten onrechte) gezien als ‘knetterlinks’. Het is naast een armoedige woordenschat (van onze minister president in dit geval) en het gebrek aan inzicht (links en rechts zijn al lang achterhaald door de woorden conservatief en vooruitstrevend) ook en vooral de ziekelijke behoudzucht die onze cultuur neerdrukt.

Het breeduit in de Nederlandse media geëtaleerde xenofobe discours van haatpredikers als Esther Voet en Wierd Duk onder leiding van geestelijk leider Wilders maakt de status quo heel duidelijk. Gevoelens mogen (moeten?) gekwetst worden, ook en vooral als dat naar aanleiding van uiterlijke kenmerken of iemands roots gebeurd. Dat kwetsen vormt een zeer welkome, vooralsnog geweldloze, uitlaatklep voor de enorme opgekropte spanningen over die Enge Ander. Als men de machtsposities van de heersende ‘elite’, de status quo maar niet aantast.

Onze cultuur is samen te vatten als een schoolplein-cultuur. En dan heb ik het laten we zeggen niet over het schoolplein van een Rudolf Steiner school. Maar het is gelukkig slechts een stadium in een ontwikkelingsproces, dat in iedere beschaving altijd gevolgd wordt door vernieuwing en verbetering. De apenrots is te klein, te benepen geworden. En ze wordt zo langzamerhand wat al te opzichtig ondergepoept door de haatpredikers van de polder. Iemand met een wat naïeve blik zou bijna gaan denken dat het een strategie is van onze jongens en meisjes van het HBO journalistiek, om de xenofobe gekte zo duidelijk op een voetstuk te plaatsen. Zodat straks in het stembureau helemaal niemand meer op het idee komt om op het Weird Duck cabaret van de PVV te stemmen.

Maar laten we niet te vroeg juichen. Onze neoliberale democratie verschilt weinig van andere dictaturen. Er is een kans dat de hysterie van de massa in maart onder het mom van democratie gaat zorgen dat types als Wilders het neoliberale democratische systeem misbruiken, voor de eigen haat, machtswellust en obsessieve ondergangsdrang.

U begrijpt: de TV is bij mij al lang de deur uit. Van alle Nederlandse media zorgen de standaard programma’s op de Nederlandse televisie, ook die op de zogenaamde kwaliteitszenders, vooral voor plaatsvervangende schaamte over zoveel opgeklopte leegheid. Het is wanneer je er naar kijkt alsof je hersens letterlijk krimpen. De ruimte verdwijnt en je vermogen tot het samenstellen van je eigen oorspronkelijke beeld en verhaal wordt – heel effectief – neergedrukt door de volop gesubsidieerde eenvormige inhoudsloosheid.

Het zijn voor mij vaak de buitenlandse journalistieke (met name de Franstalige) en literaire (met name de Duitse) werken die de aandacht nog weten te vangen. Juist doordat die de hersens wel aanzetten te groeien in plaats van dat ze ze uit proberen te zetten.

In Nederland, een land dat in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, geen joods christelijke cultuur heeft maar een Frans-Duitse, is het merendeel van de literatuur en journalistiek inhoudsloos. De angst voor het maken van echte keuzes, ook als die de status quo aantasten of zorgen dat we wat sneller vooruit gaan dan het poldermodel wil, is misschien wel hetgeen onze cultuur nog het meest onderscheid van de Franse en de Duitse.

Het is ons belangrijkste verbeterpunt. De heisa rond de CETA, waarbij leidende staten als Frankrijk en Duitsland samen met Canada de internationale handel gaan vereenvoudigen is een mooi voorbeeld van ons tekort. CETA is het eerste verdrag waarin de democratie en randvoorwaarden voor duurzaamheid de boventoon voeren, dankzij gezamenlijke voorstellen van Frankrijk en Duitsland. Al met al een akkoord dat gesteund wordt door grote democratieën, waaronder twee (Frankrijk en Canada) met een progressieve leiding. Iedere oprechte democraat zou alleen al daarom vertrouwen mogen hebben in CETA. Maar uiteraard spelen er andere dan inhoudelijke overwegingen mee in het verzet tegen CETA. Van oprecht vertrouwen in de vooruitgang en oprechte interesse in (een overigens te verbeteren) democratie zal dan ook niet altijd sprake zijn.

In Nederland praten we elkaar liever na. Dus ook in het geval van CETA. Het misverstand: dat kapitalisme fout of te stoppen zou zijn. Dat het kapitalisme noodzakelijk is voor vooruitgang, omdat het ons in staat stelt de noodzakelijke veranderingen grootschalig aan te pakken, daar hoor je de schijntegenstander van CETA niet over. Zonder een ruilmiddel, zonder kapitaal, geld dus, is verandering helemaal niet mogelijk. Maar dat is niet iets van de laatste tijd, ook toen we nog met zee-wand (schelpen) betaalden in Nieuw Amsterdam was het makkelijker die schelpen achter op je paard te leggen dan een ruilmiddel met een even groot volume als de bevervellen die je er mee kocht.

Dat het neoliberalisme met haar suboptimale democratische systeem aangepakt moet worden met de wapens gelijke kansen en transparantie en dus vooral met het maken van echte keuzes voor vooruitgang; dat is iedereen voor het gemak even vergeten. Alleen door de juiste regels en randvoorwaarden te stellen aan (internationale) handel kunnen we de handel duurzaam innoveren. De oplossing zou toch ook eens simpel en logisch zijn…

Een oplossing die niet het poldermodel maar echte keuzes nodig heeft, of het nu voor de Laïcité of voor andere vormen van duurzame innovatie, bijvoorbeeld in de internationale handel is, is een pijnlijke waarheid voor een oude, achterhaalde cultuur als de onze. Onze grootste kans om te groeien naar een waardige loot aan de stam van de Frans-Duitse cultuur ligt dan ook in die echte keuzes voor duurzame innovatie, op alle denkbare terreinen.

De zoektocht naar de esthetisch meest optimale oplossingen, in de wetenschap dat iedere waarheid afhankelijk is van degene die haar ziet, die zoektocht moesten we nu maar eens echt starten. Als we daarbij beseffen dat we al zoekend en pratend of schrijvend niet alleen onze hersens ontwikkelen maar ook de taal, en uiteindelijk de cultuur, en wel door onszelf te ontwikkelen, dan maakt onze cultuur nog een kans; om uit te stijgen boven zichzelf – en haar Frans-Duitse wortels. Een kans om meer te worden dan de schoolplein-cultuur van een benepen dorpsschool – die allang geen bestaansrecht meer heeft.