Wijsheid moet vliegen

 

 

Een ontevredene. – Dat is een van die oude dapperen: hij ergert zich aan de civilisatie, omdat hij meent dat deze zich ten doel stelt alle goede dingen, eerbetuigingen, schatten, mooie vrouwen, – ook voor lafaards toegankelijk te maken. – F.W. Nietzsche in Morgenrood

Het betere en het mooiere niet willen heeft te maken met tevreden zijn. Maar ook met een gebrek aan lef om dingen achter je te laten die je veiligheid en rust geven. Hadden we geen vrouw en kinderen (en/of te dure hypotheek) dan waren we natuurlijk al lang avonturier geworden en aangemonsterd op de Tres Hombres om in 6 maanden de oversteek heen en weer naar de Dominicaanse Republiek te maken. Om eerlijke, biologische rum, koffie en cacao te kopen, zeilend mee terug te nemen en de lading in de haven van Amsterdam uit te laden, op een bakfiets.

Maar is dat wel echt avontuur? Is dit wel mooier en beter? Zijn dit de goede werken die ons straks in onze laatste uren tevreden kunnen doen terugkijken op ons leven?

Welnee, wij ontevredenen zijn daarvoor veel te rustig geworden. Kalm kijken wij uit over de woeste zee, omdat we alleen de hoogste golven nog als uitdaging zien, en we trotseren doelbewust alleen het grootste gevaar. Andere dingen laten we van onze rug afglijden als de golf waarmee we speelden in de laatste zomer.

Van achter ons computerscherm kijken we ondertussen of er niet een betere manier is om energiezuinig en milieubewust te vervoeren en we vertellen onszelf dat er toch al lang elektrische vrachtwagens en vliegtuigen mogelijk zijn. Zou de kapitein van de Tres Hombres dat mooiere en betere eigenlijk wel willen? Dan zou hij immers niet meer veilig en rustig hoeven varen!

Dus waarom zouden we onszelf eigenlijk nog afbeulen op een schip, als we in diezelfde schaarse tijd ook aan ons betere en mooiere geestelijke zelf hadden kunnen werken?

We maken het hier en nu graag mooier en makkelijker om de toekomst niet te onzeker in te hoeven gaan. Waarna we tijd kunnen maken voor belangrijker dingen. Een bierfestival bijvoorbeeld, zoals dat in mijn gemeente, Hilversum, binnenkort wordt georganiseerd. De vooruitgang moet volgens lokale politici van sommige dorpen immers een bruisende…bierstad maken.

Wat leven we toch in een enerverende tijd! Het nihilisme probeert ons dag in dag uit, heel ver weg en heel dichtbij, onophoudelijk mee haar onvermijdelijke afgrond in te nemen. De filosofen onder ons zullen uit steeds beter hout gesneden moeten worden om er überhaupt nog tegenwicht aan te kunnen bieden.

Wijzelf zullen natuurlijk eerder een filosofie festival dan een bier festival organiseren, omdat we graag dingen doen waar wel enige aanleiding voor is. Het nihilisme is al voldoende vertegenwoordigd. Hoe hard het neoliberalisme ook zijn best doet om ons te laten geloven dat alleen het nihilisme van een bruisend bedrijfsleven belangrijk is – en een bruisend geestelijk leven maar weinig relevant zou zijn – wij weten wel beter.

Filosofen zijn dan ook bij uitstek degenen die onvermoeibaar op zoek gaan naar het mooiere en betere. Er zijn zelfs filosofen (Nietzsche en Plato of Socrates) die denken dat – naast koningen – alleen filosofen het geluk kunnen bereiken. En die filosofen hebben natuurlijk gelijk.

De vraag die dit wel oproept is wat geluk ook alweer was. Laten we eens stellen dat geluk het continu zoeken naar het mooiere en betere is. De zoektocht naar kennis en wijsheid die dit kan zijn is een schijnbaar eenvoudig te bereiken surrogaat voor het avontuur zoals dat algemeen geaccepteerd is. Maar… wij weten gelukkig alweer beter.

Wij varen doelbewust alleen nog virtueel uit naar een wilde zee, en dan nog weer alleen om onze hersens te ordenen en te verrijken, op zo’n manier dat wij er vooral zelf en vooral geestelijk beter van worden. In de vaste overtuiging dat wanneer wij beter worden anderen daar ook van meeprofiteren. Direct of indirect.

Om continu op zoek te kunnen zijn naar het mooiere en betere is het belangrijk dat we tegendraads durven denken en de als gevolg daarvan altijd vrij snel opborrelende stevige kritiek ook op de juiste wijze durven te uiten. Dat wil zeggen op een weloverwogen, verstandige manier. Enige diplomatie is ons vooruitstrevenden immers niet vreemd. Maar ook op een onbaatzuchtige manier. Wanneer het mooiere en betere onze deur een keer voorbij gaat hoeven we het niet al scheldend boos achterna te gaan lopen.

Want stelt u zich eens voor dat wij, al dan niet uit nood geboren, niet zoveel om inhoud, om geestelijke kwaliteit zouden geven. Maar we treffen ongemerkt wel om de haverklap overal mensen aan die mooier en beter zijn wat betreft die geestelijke kwaliteit. Als we kinderen hebben zien we bijvoorbeeld om ons heen overal mooiere kinderen, die een beter karakter hebben. Kinderen kortom die een voorsprong hebben, op onze eigen kinderen en op onszelf, omdat ze simpelweg met meer talent geboren zijn. Dat gaat zich wreken in ons onderbewuste; onze xenofobie zal op gaan spelen.

De vaak sterke relatie met onszelf, onze partner, ons kind of de een of andere groepscultuur op het spel zetten door het risico te nemen een objectief aantoonbare achterstand als feit te accepteren, om vervolgens te kunnen verbeteren door enige afstand te nemen van die intieme relatie met iets of iemand waar we innig mee verbonden zijn, het valt ons nogal zwaar.

Maar het conserveren van het bestaande kost een stuk minder energie dan het trekken aan het dode paard dat filosofen voor ons doen. Iedere filosoof weet immers dat het grote niets uiteindelijk de enige werkelijkheid zal zijn. Maar ook dat tot die tijd ‘de’ werkelijkheid niet bestaat. Daarom is wijsheid en objectieve kennis voor iedere echte filosoof de heilige graal, om het mooiere en betere te kunnen realiseren voordat de aarde met alle eventueel nog overgebleven mensen onvermijdelijk ten onder gaat, als ze opgeslokt wordt door de stervende zon.

Maar de Avant-garde trekt nooit echt aan een dood paard. Die trekt aan een realistische droom die de tijd tussen nu en het einde draaglijker kan maken. Voor die uitzonderingsmensen onder de vooruitstrevenden geeft verbetering juist energie, die ze overigens ook hard nodig hebben om het voorbeeld te kunnen stellen voor allen; om hun bouwwerken te realiseren, op de top van de groene heuvel.

Net als het knappere vriendje of vriendinnetje van ons kind, zorgt de Avant-garde eeuwig voor een heel natuurlijk dilemma in het conservatieve deel van ons brein. Ze daagt onze geest zonder genade uit: om te verbeteren.

Haar wondermiddel? Jaloezie. Geen betere drift dan de jaloezie; zo worden we tenminste een stukje verder omhoog gestuwd! Dankzij die vermaledijde hebzucht die het betere en mooiere, die kwaliteit wil hebben.

Verbeteren begint echter met accepteren dat er überhaupt anderen zijn die beter zijn dan wij. En die opgave voelt voor ons vooruitstrevenden weliswaar vederlicht aan, de meest hardnekkige xenofobe conservatieve fanatici onder ons snappen hier niets van, kunnen dit nauwelijks. In plaats dat ze zichzelf liefhebben, wat hen door aangeboren en ontwikkelde afwijkingen in dat vermogen om lief te hebben nauwelijks lukt, haten ze liever de afwijkende ander – en daarmee zichzelf. Haat is niet voor niets de nihilistische variant van jaloezie, die individuen meeneemt in de achteruit en in het ergste geval zichzelf en zoveel mogelijk anderen vernietigt.

De mensen aan de macht, politici, zijn de haters bij uitstek, de echte slechteriken. Wie ze altijd rijker zullen maken zien we vandaag weer, op prinsjesdag: de rijken en de slechten.

Maar de geheime troef van de goeden is hun geluk; hun kennis en wijsheid. Daar snapt de slechte mens niets van, omdat geluk geen macht of geld oplevert. Heel vreemd.

Het enige wat groter wordt bij de slechterik is de haat, zeker wanneer de Enge Ander meer afwijkt van de kuddemoraal en zich minder aantrekt van de haat van de kudde. Het is de reden dat onze xenofobe kant van nature de neiging heeft iedereen die het waagt om ondanks de afkeuring van de groep waartoe wij onszelf rekenen toch trots datgene te blijven doen waarom de groep hem nu juist zo haat, als het even zo uitkomt tot bloedens toe neer te drukken.

Niets wekt zo veel weerzin op bij de radicale xenofoob, de nihilist en ondergangsdenker, als het mooiere en het betere. Het toont de nihilist namelijk dat het ook anders kan, in een wereld die voor de nihilist onbereikbaar is: de geestelijke wereld, oftewel: ons denken.

Zo bezien heeft iedereen wel eens te maken gehad met de potentiële xenofoob in zichzelf: toen onze trots werd gebroken door iets dat afweek van hetgeen we probeerden te conserveren en dat zich zonder enige vrees of schaamte boven onszelf verhefte, om ons, alleen al door zichzelf te blijven, in ons gezicht uit te lachen – vanwege onze kinderlijke zwakte, ons onvermogen om dieper na te denken of bijvoorbeeld om onze ontoereikende woordenschat.

De schijnbare remedie tegenover de trots van het Sterkere, degene die af durft te wijken van de kudde, die trots die ontstaat wanneer iemand weet dat hij objectief gezien beter is dan de kudde, is het afwijkende te doen stoppen – of, in het ergste geval, te doden. Het is deze uitwas van de in ieder mens van nature aanwezige xenofobie die kan uitmonden in een vorm van fascisme die in potentie gevaarlijk is voor het voortbestaan van de hele wereld, omdat ze zo alomtegenwoordig is en technisch gezien steeds beter in staat om alle leven op aarde te vernietigen.

Het is de boosheid over het onvermijdelijke einde, over de nutteloosheid en over het onvermogen om die nutteloosheid op te heffen, door de beperktheid van iemands geest, die iemand kan drijven tot de obsessieve versie van ons natuurlijke zelf, met haar natuurlijke drift, de xenofobie: de fascist, die niets anders wil dan het eigenhandig stoppen van die enge wereld, ruim voordat het natuurlijke einde is aangebroken. Dat Kim Jong Un en Trump nog geen echte fascisten zijn wordt bewezen door het feit dat de wereld nog bestaat. Ze zijn niet angstig genoeg om hun wereld te stoppen.

Bij iedereen, ook bij degenen die haar zeggen te bestrijden, is de xenofobie een intrinsiek onderdeel van zijn bestaan. Zonder een zekere aandrang om het afwijkende te bestrijden zou het goede immers niet bewaard kunnen worden.

En net als iedere waarheid is ook ‘het goede’ voor de meeste individuen nog een subjectief begrip – waarmee nog maar weer eens het belang onderstreept is van de dringende noodzaak voor acceptatie dat er überhaupt een objectieve waarheid bestaat – en dus is er een heel menselijke reden voor de aandrang van de Noord Koreaanse leider om tot vervelens toe oorlogsretoriek tegen aartsrivaal Trump uit te slaan. Een logische, maar onbeschaafde reden, omdat het een reden is die teveel geworteld is in het nihilisme. Al is het geen puur nihilisme; men wil immers nog iets wat men goed en van waarde acht behouden.

Beschaving zou echter zijn de eigen waarden te verbeteren, in plaats van doelbewust te kiezen om op je eigen apenrots te blijven zitten, met miljoenen gevangen burgers, die allemaal last van je hebben, die je neerdrukt, onderdrukt en soms zelfs vermoord – voor niets meer dan je eigen ego en subjectieve waarden.

Het slechte in ieder mens voelt dezelfde aandrang als een Kim Jong Un of Trump – en is dankzij haar slechtheid, voor de kortere termijn, in staat harder en effectiever dan het goede te bepalen wat er gebeurd in de wereld. Het goede zal weliswaar uiteindelijk overwinnen, maar het is nog maar de vraag tegen welke prijs en binnen welk tijdsbestek, in de eeuwige wederkeer van hetzelfde.

Laten we dus maar niet teveel naar het verleden kijken bij het voorspellen van de toekomst; het zou ons sceptici wel eens heel pessimistisch kunnen maken. Maar wij, ja-zeggende mensen, kunnen geen pessimisten zijn. Wij weten in onze persoonlijke strijd tegen de xenofobie ons ego nog te onderdrukken en accepteren nog dat inferieure waarden het niet verdienen om geconserveerd te worden terwijl ze ondertussen het mooiere en betere neerdrukken.

De wijsheid moet vliegen, en graag zo vrij als een gierzwaluw. Een vogel die leeft in de lucht en alleen naar beneden komt… om zichzelf te vermeerderen.

‘Wij moeten de gierzwaluw achterna. De leider die altijd in de lucht blijft hangen; die geen behoefte heeft aan de macht die stevige voeten geeft maar altijd op zoek is naar de hoogste macht; de zon.

Om uiteindelijk onherroepelijk neer te dalen tot de aarde, in het besef dat zijn aanbidding van de zon hem weliswaar steeds hoger bracht op de thermiek van kennis en wijsheid, maar haar soort zichzelf liet blijven:

Zonaanbidder, gemaakt van dezelfde sterrenstof, gedoemd om deze prachtige aarde onder zich te laten, zonder haar ooit te kunnen verlaten.

Juist door naar haar terug te keren gaat ze onder – de zon achterna. Om de volgende morgen weer op te komen, in het morgenrood.’ – IvB